Korte verhalen over kunst, literatuur en muziek. Kunst stelt vragen, kunst zet aan tot denken

Er is iets tussen mij en God. Dat zit niet helemaal goed en gaat terug tot aan mijn jeugd in een katholiek Brabants dorpje. Ik ging naar een basisschool waar je ‘s morgens en ‘s middags moest bidden voor de les en waar je in de tweede de communie deed en in de zesde het vormsel. Wij woonden 4 huizen van de kerk vandaan, mijn ouders hadden een café-met-zalen waar heel het dorp zijn bruiloft vierde en de koffietafel na zijn uitvaart. De kapelaan en meneer pastoor waren kind aan huis. Toen we ons in de zesde klas gingen voorbereiden op het Heilig Vormsel vroeg mijn vader mij op de man af of ik dat wel wilde. Of ik dat wel wilde...?

 

Ik wist helemaal niet dat het een optie was om niet te willen! Nou, zei mijn vader, het is toch een soort van afspraak met God die je maakt en ik wil wel dat je erover nagedacht hebt van te voren. En het maakt mama en mij niets uit; wat jij ook besluit - die fiets krijg je toch wel.

Nou dan... niet dus! Want ik weet niet of ik wel geloof in een God, zei ik. En daarmee was het klaar. Voor daar dan. Ik moest het wel zelf aan oma gaan vertellen. En mijn oma was de meest godvruchtige mensch die je je kunt voorstellen. Die zong in het kerkkoor, had bijbelse stripboeken thuis voor de kinderen en in heel haar leven precies 9x sex gehad. (Dat weet ik, want er zijn 9 kinderen geboren). Die oma dus, die roomser dan de Paus was, moest ik in mijn eentje gaan vertellen dat ik geen vormsel ging doen. Ze begreep er niks van. Ik brak haar hart. Vanaf die dag was ik een ‘slecht’ meisje voor mijn oma.

Ondertussen moest ik wel iets te doen hebben tijdens de wekelijkse lessen van de kapelaan, ter voorbereiding op het vormsel. Meestal mocht ik aan mijn tafeltje een kleurplaat van Jezus kleuren. Terwijl de rest bezig was met kringgesprekken of met het werkboek ‘Jij hoort er ook bij”.

 

Op een dag vertelde de Kapelaan over Gods oneindige liefde en oneindigheid is een ander ding waar ik kriegel van word. Dus ik kon het niet laten om te vragen ‘Wat is oneindigheid dan?’ En de kapelaan deed zijn best het uit te leggen en haalde er steeds andere symboliek bij want ik bleef maar zeggen dat ik het nog steeds niet snapte, tot hij zijn ring liet zien; ‘Kijk mijn ring, zei hij, ‘die heeft geen begin en geen einde, Net als God, of net als het heelal..” “Maar die ring heeft een binnen- en buitenkant!” riep ik. “Dat is nog steeds niet oneindig!” Stop.

Toen ik 10 was lag ik elke nacht wakker van het heelal. Zodra ik mijn ogen dicht deed gingen mijn gedachten op zoek naar de grens van het heelal, steeds verder en verder  tot ik snel mijn ogen weer opende en probeerde aan iets anders te denken. (Niet aan een roze olifantje denken) Dat is een geregistreerde fobie trouwens: astrofobie. Kijk, God kan ik op geen enkele wetenschappelijke manier meten, dus is hij in principe niet echt. En het heelal is wetenschappelijk echt bewezen maar niet te meten! Alles daaraan is onbegrensd. (Ik begeef me op glad ijs nu. Sommige mensen zullen antwoorden dat dát precies is wat God is. Zo groots.)

 

Ik kreeg een filmpje van een goede vriend: ‘So how small are we?’ (staat op youtube als je zin hebt, ik in ieder geval niet) Ik begrijp de grootsheid: ons sterrenstelsel en dat dan x een biljoen x een biljoen etc. Maar ergens, hoe ver weg ook, moet dat toch ophouden? En daar waar het ophoud dan, het heelal, wat zit dáár dan weer achter? En wie heeft dat verzonnen eigenlijk? Hoe is dit allemaal in godsnaam gebeurd? En waarom stuurt hij mij zo’n filmpje terwijl hij weet dat ik daar niet goed van word!

 

Noot: De zoektocht naar oneindigheid en eeuwigheid hield ook Stephen Jay Gould als klein mannetje uit zijn slaap, dus ik ben in goed gezelschap. Hij vond er berusting in dat het menselijk brein gewoonweg (nog) niet in staat is tot vruchtbaar denken over deze materie. Hij liet het heelal links liggen en werd een wereldberoemd evolutiebioloog. Punt.