Korte verhalen over kunst, literatuur en muziek. Kunst stelt vragen, kunst zet aan tot denken

Dit is waargebeurd: tijdens een zakelijk etentje tussen een man en twee vrouwen komt het gesprek op een boek wat op dat moment veel gelezen en besproken is. De man loopt te pochen met een nieuw inzicht dat hij verworven heeft na het lezen van dat boek en hij houdt maar niet op. De vrouwen ontploffen bijna maar komen er niet tussen, totdat eindelijk, ein-de-lijk, de man een slokje van zijn drinken neemt en de ene vrouw zegt; dat is mijn boek. ‘Wat?’ ‘Alles wat je zojuist vertelde...?’ ‘Ja’ ‘Dat heb ik geschreven. Dat is mijn boek en mijn artikel wat je zojuist citeerde’. Die man gelooft haar niet en aan het eind van de avond wandelen de twee dames gierend van het lachen naar huis.

 

(bron: Rebecca Solnit - the slippery slope of silencings)

 

Alsof dit grappig is.

Even terug. In 2001 had ik net verkering met mijn lief en kregen wij zijn familie te eten als kennismaking. Best wel belangrijke avond dus... Al snel ging het tussen de mannen over films en waren ze aan het pochen over hun filmkennis. Na 10 minuten zaten we op niveau ‘Pulp Fiction’ en waren ze complete dialogen aan het overdoen. Dat haantje-ding duurde best lang. Eigenlijk heel de tijd dat ik eten kookte, borden opmaakte, afwasjes bijwerktte, drinken bijschonk... Tot er een kleine adempauze viel en ik kon zeggen; “Ik heb ooit een filmscript geschreven... [oh ja - leuk] Het ging over een begrafenisstoet in een file. De kroeg-eigenaresse van een dorpje (Ada is haar naam) is overleden op 63-jarige leeftijd en iedereen is onderweg naar de begraafplaats; de biljartclub, de duivenvereniging, de horeca-vereniging, de fanfare, haar kleindochter en haar stiefbroer met zijn (bijna) tweede vrouw. Echt iedereen. Heel het dorp is onderweg. Maar ze geraken in de file. En er gebeurd vanalles onderweg. Alsof alle verhalen, alle sluimerende ruzietjes, verliefdheden, onuitgesproken gruwelijkheden in die file kristalhelder worden en als uitroeptekens de autobaan opslingeren. De film begint waar het verhaal eindigt: het moment waarop de begrafenisstoet de begraafplaats op komt rijden. De file is voorbij. De regen is gestopt. En in de eerste volgauto zit Ada's kleindochter op de achterbank door het raam naar de lucht te kijken; grote gouden zonnestralen dalen uit een wolk neer op het gras en de graven. Zoals je het op oude bidprentjes ziet. Alsof God zelf in de hemel de spots aan het bedienen is, speciaal voor Ada”

 

In het jaar 2000 schreef ik dit idee voor dat filmscript en stuurde het naar Theo Maassen, die het weer doorstuurde naar Monic Hendrixck en mij vervolgens belde (Theo dus, terwijl ik onze was in droogtrommel deed) dat ie het een tof idee vond en graag meedeed, met Monic, en wie er verder nog meededen...?

 

Zover had ik het plan nog niet uitgedacht, maar wat ik wil zeggen is dit:

als ik een man was geweest, of als ik één van mijn dochters was geweest, had ik geen borden opgemaakt en gasten bijschonken en goede sier gemaakt met andermans (herstel!... andervrouws) verhaal.

En dat is mooi zonde.